"Ik was bang om te vallen. Met m'n stok loop ik nu mee met de wandelclub."
Een jaar lang heb ik 'm in de gang laten staan. Niet eens uitgepakt. De ergotherapeut had 'm afgeleverd na mijn val in de keuken — heupbreuk, drie weken ziekenhuis, revalidatie. Bij thuiskomst stond hij daar, glanzend grijs, met een mandje. Ik liep eromheen. Letterlijk.
Ik wist wel dat ik onzeker liep. Twee keer per week hield ik me vast aan de muur als ik vanuit de slaapkamer kwam. Maar een rollator — dat was iets voor anderen. Voor mensen die écht oud waren. Voor mensen waar ik altijd een beetje medelijden mee had gehad, eerlijk gezegd.
De buurvrouw. Niet wat ze zei, maar wat ze zou denken. De caissière bij de Albert Heijn. Mijn schoondochter — die zou meteen aan een aanleunwoning gaan denken, wist ik. En het kerkje, op zondag, met al die mensen die nog wel gewoon liepen.
Ik ben thuis gebleven. Eerst een paar weken. Toen een paar maanden. Boodschappen liet ik bezorgen. De krant haalde ik niet meer zelf van de mat — m'n schoonzoon kwam langs op weg naar zijn werk. Ik vertelde mezelf dat dat best gezellig was.
"Ik had het door dat m'n wereld kleiner werd. Maar zolang ik de rollator niet gebruikte, kon ik mezelf wijsmaken dat het tijdelijk was."
Mijn oudste kleindochter werd 21. Een feestje in Dordrecht — niet ver, maar wel een trap op naar de bovenzaal van het café. Ik zegde af. "Oma, je komt toch wel hè?" appte ze. Ik schreef terug dat ik niet zo lekker was.
Die avond zat ik op de bank en huilde. Niet om de heup. Om alles wat ik niet meer deed. De markt op zaterdag. Het wandelingetje naar de Linge. Koffie met Toos. Allemaal weggeschoven omdat ik niet wilde zien wat al lang waar was.
De volgende ochtend belde ik de ergotherapeut die in het ziekenhuis was geweest. Ze kwam langs. We hebben hem samen uitgepakt. Ze liet me zien hoe hij omhoog en omlaag kon, hoe je remde, hoe je 'm in de auto vouwde. Ze zei: "Riet, dit ding is niet iets dat je overkomt. Het is iets dat je kunt gebruiken." Dat zinnetje is blijven hangen.
Naar de brievenbus. Tien meter. Ik had het uitgekiend op een tijdstip dat niemand op straat was — half drie 's middags, op een dinsdag. Het hielp niet. De buurman kwam aanrijden en stapte uit. "Hee Riet, mooi nieuw ding heb je daar." En hij liep door. Dat was het.
De week erna naar de hoek. De week erna naar de bakker. De week erna naar de markt. Het was alsof iemand stukje voor stukje een stuk land teruggaf dat ik was kwijtgeraakt zonder dat ik het had gemerkt.
Niet wachten. Echt niet wachten. Elk maand dat ik 'm in de gang liet staan was een maand waarin ik dingen verloor — een verjaardag, een wandeling, een gesprek bij de kraam met bloemen. Die maanden komen niet terug.
En tegen de kinderen van mensen zoals ik: dring niet aan. Niet "mam, je moet die rollator gebruiken". Wel: ga mee een rondje wandelen. Vraag waar ze bang voor is. Lees samen het verhaal van iemand anders. Schaamte ga je niet weg-redeneren. Je gaat er met iemand naast lopen.
Ik kom op donderdagochtend nog steeds op koffie bij Toos. Soms zit Annie er ook bij — die met haar gehoorapparaat. Wij drieën hebben een grapje: wij zijn de drie musketiers van Gorinchem. Bewapend tot de tanden, met onze hulpmiddelen.
Riet, dit had ik je twee jaar geleden moeten laten lezen. Ben er nu zelf doorheen. Die zin van die ergotherapeut — dat ga ik onthouden.
"Dring niet aan, ga mee een rondje wandelen." Dit ga ik morgen doen met mijn moeder. Dank je wel.
Geselecteerd op basis van hulpmiddel en thema.
"Ik was bang om te vallen. Met m'n stok loop ik nu mee met de wandelclub."
"Ik dacht: dan ben ik écht oud. Maar zonder hoorde ik niets meer."
"Ik was vier maanden weg uit het koor. Nu zit ik weer iedere dinsdag op m'n vaste plek."